Jozef en Maria
De katholieke en hervormde kerk stonden centraal in mijn
jeugd. Deze bouwwerken passeren zonder er een blik op te
werpen, kon ik niet; ze negeren evenmin. Niet dat ik deze
gewijde plekken dagelijks bezocht, nee; ze waren er gewoon.
Achteloos neergezet.
Op de kop van de straat, vlakbij ons
ouderlijk huis de bakstenen katholieke, neogotisch en vol
roomse pracht in Franse hooggotische kathedraalstijl. Houten
deuren, glazen vensters en dagelijks geopend. Zijn orgel
heeft een zeer romantisch karakter met veel zachte stemmen.
Zevenhonderd meter verderop de protestantse. Een witte.
Neoclassicistisch,
eenvoudig en sober achter een hekje en een schuin bakstenen
muurtje. Vier lelieblanke pilaren met daarachter groen gepolijste
bakens en een witte toren. Van binnen strak en zakelijk vormgegeven.
Een trap leidt naar een spreekstoel onder een houten hemel
wat ruimte biedt voor een dominee.
Hagelwitte kale muren,
donkere banken, een orgel dat helder klinkt, krachtig en
soms scherp. Tijdens de zegen in de zondagochtenddienst begint
de hervormde kerk zijn klok te luiden. Elke ochtend om kwart
voor negen slaat de katholieke zijn kerkklokken. En elk half
uur en heel uur. Ook dat werd vertrouwd, toen ik de statige
laan ging bewonen. Dat de hervormde een andere toon had,
voelde ik ook.
Zijn toon beierde met een andere dynamiek.
Het mooist was het wanneer ze tegen elkaar in luidden en
dan onverwachts samenklonken. Kerken hebben vanaf mijn geboorte al een bijzondere functie
gehad. Misschien kwam dat wel omdat mijn moeder in 1962 beviel
van een tweeling.
Jozef en Maria.
Zo werden mijn broer en ik genoemd door de gynaecoloog, dokter Pannekoek. Mijn
moeder begreep hem niet en vlijde zich totaal uitgeput op 'de ezel' die voor
de behandeltafel stond. Het bed bracht haar naar haar kamer.
Later sjouwde
'de ezel' mijn moeder naar de couveuse waar wij; nog steeds benoemd als Jozef
en Maria lagen te slapen. Een beetje te klein en een beetje te teer.
Kerkklokken luidden sprookjeswit deze nacht.
Mijn vader herinnert het zich nog; verborgen onder de sneeuwvlokken stapte
hij na onze geboorte de kroeg in. In de ochtenduren bij uitnodigend klokgelui
verblijdde hij mijn oma met heugelijk nieuws. Een ontbijt met koffie en kerstbrood
werd op tafel gezet.
In de kerk bad mijn oma tijdens de ochtenddienst voor
ons allen. Sneeuwvlokken en het galmen van kerkklokken begeleidden haar tocht
naar het ziekenhuis.
‘De ezel’ werd weer
van stal gehaald toen bleek dat we gingen verkassen.
Verhuisdozen werden
ingepakt. Twee
maanden voor kerst arriveerden we in ons nieuwe huis. Het
was herfst.
Ook dat heeft zo moeten zijn.
Op kop van de laan een hervormd heiligdom; waar voorlangs een statige bomenlaan
doorheen slingert naar het katholieke kruispunt. Wij liepen elke dag twee maal
door deze laan naar school. We gluurden over verschillende soorten tuinhekjes
in diepe tuinen en fantaseerden we over grote huizen en hun geheimzinnige bewoners.
We vonden ginkgoboombladeren, kastanjes en beukennootjes op bruine klinkers.
Na de kerstnachtdienst in de protestantse kerk, troonden mijn ouders ons mee
naar de kathedraal. Het sneeuwde. De hervormde kerkklok luidde, we liepen tussen
zijn witte pilaren door naar de katholieke bruine portalen. Sneeuwvlokken bedekten
onze kleren.
Wij gooiden sneeuwballen naar elkaar. Van strakke religieuze sfeer
naar barokke mystieke heen en weer geslagen wierookdampen. In de heilige communie
schonk een priester in een gouden gewaad rode sap uit kelken.
Wijn.
Tijdens de dienst stootte mijn broer mij aan, de wijzers op zijn horloge waren
de twaalf gepasseerd. Een nieuw levensjaar.
Katholiek verjaren werd een gewoonte.
Twee dagen lang vierden we feest.
Het katholieke heiligdom was voor ons als kind wel het
meest uitnodigend en spannendst van de twee. In het begin
betraden we met schroom het ronde plein. Het lage bakstenen
muurtje langs de sacrale muren gaf aanleiding om er over
heen te lopen, op te klauteren, er op te hinkelen, of er
dagdromend uit te rusten.
Ruiters op paarden, autootjes in
legerkleuren en Bella, mijn lievelingspop vlogen dagelijks
in rap tempo over onze vestingwal langs de kerk. Kazernes
in Lego-steentjes werden toegevoegd. Kunststofbomen wortelden
tussen de voegen van het muurtje. Plastic soldaten veroverden
land na land. Een prins te paard kwam zijn prinses uit de
kasteeltoren bevrijden.
Kuste haar wakker.
Stoepkrijt sierde de vierkanten tegels van het ronde plein voor de ingang.
Sporen van rolschaatsen en stelten hebben een blijvende markering achtergelaten.
Aan de zijkant waar het gietijzeren hek zich bevond, kwamen we niet. We meden
de graven die daarachter lagen. Wel keken we door het glas van de houten draaideuren.
Geur van wierook zwenkte mee naar buiten.
Zo heb ik het nader leren kennen.
De pastoor van de kerk verscheen en nodigde ons mee naar binnen. Kleurrijke
ramen van glas en lood. Rijen lege stoelen, houten banken, onbezet. Kandelaars.
Gebeeldhouwde vrouwen met half ontbloot bovenlijf, kleine jongetjes op schoot.
Bakstenen muren met grote schilderijen. Jezus hier en Jezus daar. Overal. Van
klein tot groot afgebeeld.
Gods lam.
Kroon van doornen. Goddelijk aureool met handen en voeten vastgenageld op een
kruis. Een spons en een speer. Achter een weggerolde steen lagen windsels.
Het korte leven van genezen, lijden en opstaan passeerden mijn ogen.
We kwamen uit bij een tafel met zilveren kaarsen en bloemen op een linnen tafel
neergestreken. De tocht ging verder. Traptreden hoger kwamen we. Bakstenen
trappenhuis in de rondte.
Twee paar kleine schoenen, Bella en een informeel
geklede pastoor. Het uitzicht op ons huis. Een katholiek vergezicht. Spitse
toren met gouden wijzers, nu heel dichtbij. De klok zwaaide heen en weer. Explodeerde.
We legden onze handjes over de oren.
Drie slagen. Toppen van populieren op
gelijk niveau van waardigheid ruisten heen en weer. In de verte zagen we kruisen
en gedenkstenen tevoorschijn komen. Stelten, krijttekening en rolschaatsen
lagen in miniatuur. Spannend om ons speelterrein van bovenaf te bekijken.
De
pater was ingetogen met zijn daad, we vormden een stel uitbundige kleine zielen.
We genoten.
Het plein zag er daarna voor altijd anders uit. Omhoog zweefden we. De kerkklokken
klonken niet meer als vanouds. Wij keken niet meer door de ramen, we gingen
naar binnen.
Rotterdam, 18 november 2003
Marianne E. Klapwijk
|